“Vroeger zei mijn familie altijd dat kinderen lastig zijn. Mijn ouders hadden veel ruzie, een voorbeeld van een stabiele relatie kende ik niet. Daardoor was mijn beeld van huisje-boompje-beestje negatief. Op mijn zeventiende kreeg ik een relatie met een stabiele man. Hij had een huis en een vaste baan. Ik wilde graag het huis uit, en trok bij hem in. Zijn plan was committen: samenwonen, kinderen krijgen.
‘TOEN IK DIE RING ZAG LIGGEN, WAS IK NIET BLIJ’
Heel sterk voelde ik: ik wil dat niet. Ook omdat hij niet de juiste persoon was. In die relatie voelde ik geen vrijheid, kon niet mezelf zijn. Toen ik een ring zag liggen, was ik niet blij. Het was benauwend, ik wilde niet op mijn twintigste vastzitten aan iemand. De relatie verbreken was moeilijk, maar daardoor heb ik mezelf beter leren kennen. Zo heb ik mijn liefde voor reizen ontdekt. Sinds mijn dertigste voel ik de hormonen opspelen. Me binden – kinderen, settelen, een vast huis – wil ik nu wel. En als ik de juiste persoon ontmoet, hoef ik niet te veel van mezelf in te leveren.”

Meteen naar de content